Atletiek
De oudste sport
Atletiek is de naam voor een aantal sporten: loopsporten, springsporten
en werpsporten. En deze sporten bestaan weer uit verschillende
onderdelen.
Atletiek is de oudste sport van de mensheid. Voor de oerbewoners die nog
rondliepen in dierenvellen, waren lopen, springen en werpen van het grootste
belang. Zij leefden namelijk van de jacht. Zij moesten hun prooi zien te raken
met een steen of een werpspies. Soms moesten ze het dier langdurig achtervolgen.
Het kwam ook geregeld voor dat ze over een beek of bergkloof moesten springen.
Een scherp oog, een vaste hand en een sterk, lenig lichaam waren voor hen
onmisbaar. Niet alleen voor het verzamelen van voedsel, maar ook voor hun
veiligheid. Vooral als ze oorlog voerden met vijandige stammen. Goed lopen,
springen en werpen waren dus nodig om in leven te kunnen blijven. Er zijn in
grotten en holen heel wat wandschilderingen gevonden, waarop hardlopende en
speerwerpende voorouders zijn afgebeeld. Sommige schilderingen zijn meer dan
tienduizend jaar oud.
Olympische spelen
Deze eenvoudige jagers hielden geen wedstrijden. Je kan dus eigenlijk nog
niet van sport spreken. Dat was wel het geval bij de Grieken. Ongeveer 1000 jaar
voor Christus (dus ongeveer 3000 jaar geleden) werden op het eiland Kreta
wedstrijden gehouden tussen jongemannen. Zij moesten over een levende stier
springen. De atletiek bloeide geweldig op door de olympische spelen. Die
werden om de vier jaar gehouden in de omgeving van de stad Olympia, voor
het eerst in 776 voor Christus. Jongemannen uit heel Griekenland namen er aan
deel. Speerwerpen, discuswerpen en hardlopen waren belangrijke onderdelen. De
atleten bereidden zich goed op die wedstrijden voor. Want de lauwerskrans die de
winnaars op het hoofd gedrukt kregen, betekende roem en eer. De overwinnaars
werden bijna als goden vereerd. Als ze thuiskwamen, wachtte hen een
triomfantelijke intocht. Na de Griekse en Romeinse tijd werd er in Europa geen
atletiek meer beoefend. Pas in de vorige eeuw kwam er weer belangstelling voor.
In 1896 werden in Athene de moderne Olympische Spelen gehouden. Dat was
het idee van de jonge Franse edelman Pierre de Coubertin. Hij wilde daardoor de
volkeren dichter bij elkaar brengen. Nog altijd worden de spelen om de vier jaar
gehouden. In het jaar 2000 werden ze in Sydney gehouden en in 2004 zullen
de spelen weer in Athene worden georganiseerd. De spelen hebben geweldig
bijgedragen tot de opbloei van de sport en vooral van de atletiek dat door
iedereen als belangrijkste sport van de spelen wordt gezien.
Loopsporten
De beoefening van de atletiek is aan nauwkeurige regels gebonden. Zo zijn de
loopnummers opgedeeld in bepaalde vaste afstanden. De sprint gaat over
afstanden van 40m tot 400m. Dan komt de middenafstand met de 600m, 800m,
1000m en 1500 meter. De lange afstand begint bij de 3 kilometer en loopt
tot aan de marathon. Die marathon is maar liefst 42 kilometer en 195 meter lang.
Het sprinten is vooral een kwestie van snelheid. Omdat de afstand kort
is, moet die van de eerste tot de laatste meter in topsnelheid worden afgelegd.
De lopers starten vanuit een gehurkte houding vanuit startblokken. Als
het startschot klinkt schieten ze als pijlen uit een boog. In enkele
seconden is het gebeurd. Het wereldrecord op de 100 meter is minder dan 10
seconden! Een explosie van snelheid dus. Op de snelheid kun je wel trainen maar
je moet er ook aanleg voor hebben.
Sprint
Bij de sprint lopen de atleten in hun eigen baan, die door lijnen wordt
aangegeven. Ze mogen daar geen stap buiten doen. Voor het starten gebruiken ze
de startblokken. Dat zijn de schuinopstaande blokken waar de voeten tegen
geplaatst worden. De blokken kunnen ingesteld worden op de maat van de loper.
Als de starter het commando ’Op uw plaatsen’ geeft dan nemen de
sprinters plaats in de blokken. Twee voeten tegen de blokken en de handen achter
de lijn. Ook een knie raakt de grond. Dan geeft de starter het commando ‘Klaar’
en komt ook de knie los van de
grond. Het achterwerk komt omhoog. Dan schiet de starter met een startpistool
en schieten de lopers zo snel mogelijk weg. Soms schiet er iemand te vroeg weg,
dat is een valse start, Wie twee keer een valse start maakt, is
uitgeschakeld. Een goede start is erg belangrijk, het kan de atleet juist die
deeltjes van een seconde opleveren die hem of haar de overwinning bezorgen.
Middenafstand
Bij de middenafstand moet men natuurlijk ook snel zijn. Maar die snelheid
hoeft niet zo hoog te zijn. Op een grotere afstand houdt niemand het namelijk
vol om op topsnelheid te lopen. De middenafstandloper moet over kracht en
uithoudingsvermogen beschikken. Hij moet zich keihard inzetten. Ook wordt er
vaak in wedstrijden tactisch gelopen. Dat wil zeggen dat een atleet goed
de tegenstanders inschat en tijdens de wedstrijd een goede positie inneemt. In
het begin moet de atleet zich proberen te sparen zodat hij op het laatste stuk
een eindsprint in kan zetten. Als de atleet te snel van start gaat komt hij adem
en snelheid te kort op het eind.
Lange afstanden
Uithoudings- en doorzettingsvermogen zijn nog belangrijker bij de lange
afstanden. Deze afstanden eisen erg veel van de loper. Het verdelen van de
krachten tijdens de wedstrijden is erg belangrijk. Dat geldt vooral voor de
marathon. Lang geleden moest de Griekse soldaat Philippides van het plaatsje
Marathon naar de hoofstad Athene rennen om het nieuws te melden dat de Grieken
de slag tegen de Perzen hadden gewonnen. Die afstand is gelijk aan de afstand
die nu op de marathon wordt gelopen (42km en 195 meter). Het lange afstandlopen
is in Nederland de laatste jaren enorm populair geworden. Er zijn tegenwoordig
heel vaak loopwedstrijden. Een van de bekendste wedstrijden in Nederland is de
marathon van Rotterdam waar de laatste jaren meer dan 13.000 deelnemers zijn.
Andere loopvormen
Een bijzondere manier van hardlopen is de estafette. Deze wedstrijd
wordt gehouden door teams van vier mannen of vrouwen. Elk van hen loopt een
afstand, bijvoorbeeld 100m, en geeft daarbij het estafettestokje door aan
de volgende deelnemer van zijn team. Het overgeven van het sokje moet zo soepel
mogelijk gaan. Om geen vaart te verliezen ligt de tweede loper al op snelheid
als hij de stok overneemt. Het wisselen moet gebeuren in het wisselvak.
Wie het stokje laat vallen of wisselt buiten het wisselvak kan de wedstrijd niet
meer winnen.
Ook een bijzondere vorm van lopen is het snelwandelen. Daarbij moeten
de lopers zorgen dat er altijd 1 voet op de grond staat. Je mag dus niet zoals
met het hardlopen een zweefmoment hebben. Het is net of de deelnemers stijve
benen hebben.
Dan zijn er ook nog de wedstrijden met hindernissen. Bij het hordenlopen
staan er op de sprintbaan op gelijke afstanden 10 horden opgesteld. Het is een
moeilijk onderdeel. Als je teveel springt over de horden dan verlies je
snelheid. Blijf je te laag dan raak je de horden of val je er zelfs over. Er is
ook een zogenaamde steeple chase. Dit is een soort hordenrace over een
wat langere afstand (3km). Tijdens de wedstrijd komen de deelnemers 28 keer een
hindernis tegen. Dat zijn horden die 91centimeter hoog zijn. Bovendien moeten ze
ook zeven keer over de waterbak die 3,66 meter breed is en 76 centimeter diep.
De springnummers
In de atletiek zijn er vier springnummers: het hoogspringen, het
polsstokhoogspringen, het verspringen en de hink-stap-sprong (ook wel driesprong
genoemd).
Hoogspringen
Bij het hoogspringen moeten de atleten over een lat springen die op de
twee staanders ligt. Als de lat er af valt is de poging van een atleet ongeldig.
Na elke geslaagde sprong gaat de lat enkele centimeters omhoog. Als de deelnemer
op een hoogte drie keer de de lat er af gooit tijdens de sprong is hij
uitgeschakeld. Wie het langst overblijft is de winnaar. Beginners springen
meestal met de zogenaamde schaarsprong. De benen wippen dan over de lat
als een schaar die open en dicht gaat. Gevorderde atleten sprongen vroeger vaak
rollend over de lat. We noemen dat een buikrol. Tegenwoordig springen de
atleten ruggelings over de lat. Dit noemen we de flop of Fosbery-flop
genoemd naar de atleet die de techniek voor het eerst gebruikte. Achter de lat
ligt een dikke mat die ervoor zorgt dat de atleet zich niet bezeert bij het
neerkomen. Het wereldrecord bij het hoogspringen is nu ongeveer 2 ½ meter.
Vergelijk dat maar eens met een deur bijvoorbeeld maar dan nog wat hoger want
die is meestal zo’n 2,20 meter.
Polsstokhoogspringen
Een zeer boeiend maar moeilijk onderdeel is het polsstokhoogspringen. De
deelnemers mogen nu een stok gebruiken om zo hoog mogelijk te springen. Ook hier
springt men weer over een lat, alleen nu ligt die veel hoger soms wel hoger als
6 meter! De stok is van hout, licht metaal of bamboe. Tegenwoordig zijn ze
meestal van fiber. Dat is een kunststof dat erg sterk, licht en soepel is.
Bovendien buigt het goed mee. Daardoor krijgt de springer een enorme zwieper mee
waardoor hij nog hoger kan springen. Met de stok in de hand neemt de atleet een
forse aanloop. Hij steekt de stok dan in een insteekbak onder de lat. De stok
kan daardoor niet meer wegschuiven. Door het plotselinge stoppen en de afzet van
de atleet veert de stok met de springer omhoog. De atleet zwaait zijn benen over
de lat en gooit de stok terug. Ook hier ligt achter de lat een dikke mat zodat
hij zacht neerkomt.
Verspringen
Bij het verspringen maakt de atleet, net als bij de vorige springnummers, een
lange aanloop. Soms wel 50 tot 75 meter lang. Aan het eind van die aanloop maakt
hij zijn sprong. Hij zet af op de afzetbalk die voor de zandbak in de grond is
gegraven. Als zijn voet, of zelfs maar een klein teentje, over de balk komt is
de sprong ongeldig. De zandbak is altijd netjes aangeharkt zodat men altijd goed
kan zien waar de springer neergekomen is. Als de atleet in de zandbak naar
achteren is gevallen telt niet de afdruk van zijn voeten maar die van zijn rug
of hand. Elke deelnemer maakt een aantal sprongen. De beste daarvan telt. Er
zijn een aantal technieken bij het verspringen. De beste atleten van de wereld
maken gebruik van de loopsprong, waarbij het lijkt of de atleet tijdens de
sprong nog een paar passen maakt. De meeste andere atleten maken gebruik van de
hangsprong waarbij je zo snel mogelijk je beide benen naar voren werpt.
Hink-stap-sprong
De hink-stap-sprong bestaat, zoals het woord al zegt, uit drie delen. Ze
moeten in één vloeiende beweging worden uitgevoerd. Bij het eerste deel moet
de deelnemer op dezelfde voet neerkomen als waarmee hij heeft afgezet (de hink).
Bij het tweede deel (de stap) komt hij neer op de andere voet en bij het derde
deel (de sprong) komt hij op beide voeten neer. De afzetbalk ligt verder weg bij
de zandbak, verder gelden dezelfde regels als bij het verspringen. Dit onderdeel
wordt ook wel driesprong genoemd.
Werpnummers
De werpnummers vragen een echte krachtsexplosie. Het zijn echte
krachtsporten. Toch is hier de techniek ook erg belangrijk.
Kogelstoten
Bij het kogelstoten probeert men een metalen bal zo ver mogelijk weg te
stoten. De kogel mag dus niet gegooid worden. De kogel weegt voor mannen meer
dan 7 kilo en voor de vrouwen 4 kilo. Als je jong bent stoot je eerst met 2 kilo
en elke paar jaar wordt deze iets zwaarder.
Bij het kogelstoten staat de atleet in een ring die een doorsnede heeft van
ruim 2 meter. Aan de voorkant bevindt zich een balk. Dat is de stootrand. De
atleet mag met zijn voeten niet over deze balk komen. Hij mag de ring pas
verlaten nadat de kogel de grond heeft geraakt.
Kogelslingeren
Bij het kogelslingeren is de kogel vastgemaakt aan een staaldraad
waaraan een handvat vastzit. De slingeraar houdt deze stevig met beide handen
vast. Hij draait dan een aantal keren met de slinger snel rond en laat op het
juiste moment de kogel los. Voor de veiligheid van de deelnemers, jury en
publiek wordt er geworpen vanuit een halfronde kooi met een gaaswerk erin zodat
de kogel alleen de juiste kant op kan gaan. Het is een technisch zeer moeilijk
onderdeel, als je de techniek niet goed uitvoert gaat niet de kogel het veld in
maar wel de deelnemer.
Discuswerpen
Ook bij het discuswerpen staan de deelnemers in een ring met een
doorsnede van 2,5 meter. Ook hier is voor de veiligheid een halfronde kooi
omheen gezet. De discus is een platte, houten of kunststof schijf waar een metalen rand
omheen zit. De mannen werpen met een discus van twee kilo en de vrouwen met één
kilo. Als je jonger bent is de discus ook lichter. De werper maakt een snelle
ronddraaiende beweging en laat op het goede moment de discus los. Als hij goed
gooit blijft de discus plat in de lucht en zeilt hij als het ware het veld in.
Speerwerpen
Bij het speerwerpen wordt de speer niet vanuit een ring geworpen, de werper
mag namelijk een aanloop nemen. Tijdens deze aanloop houdt de werper de speer
horizontaal boven de schouder met de punt iets omhoog. De speer was vroeger van
hout, tegenwoordig is hij van metaal. Voor de mannen is hij 800 gram, voor de
vrouwen 600 gram. Voor de jongeren zijn er ook speren van 400 gram. De speer is
ongeveer 2,60m lang (voor de vrouwen iets korter). In het midden is deze met
touw omwikkeld en dat is tevens de plaats waar de werpers de speren vasthouden.
Na de aanloop brengt de atleet zijn werparm zo ver mogelijk naar achteren, ook
de rest van zijn lichaam helt achterover. Zo vormt het lichaam als het ware een
boog, waaruit de speer wordt weggeschoten. Bij het gooien mag de atleet niet
over de cirkelboog komen die het einde van de aanloop markeert. De speer moet
met de punt als eerste op de grond komen anders is de worp ongeldig. Er kunnen
grote afstanden worden bereikt het wereldrecord is bijna 100 meter!
De pupillen gooien nog niet met de speer dat gebeurt pas als zij ouder
worden. Zij werpen met de bal. Het balwerpen lijkt echter veel op het
speerwerpen. De techniek voor het speerwerpen leer je al goed aan als je de bal
bovenhands werpt.
Net als bij de andere werpnummers mogen er meerdere pogingen gedaan worden
waarvan de beste telt.
Meerkamp
Veel topatleten beoefenen één of twee onderdelen van de atletiek. Daarin
proberen zij het hoogste te bereiken. Maar er zijn ook zogenaamde
all-round-atleten. Die zijn goed op meerdere onderdelen van de atletiek.
Daarvoor zijn er de meerkampen. Voor de heren senioren is er bijvoorbeeld de
tienkamp. Die bestaat uit tien onderdelen die in twee dagen worden afgewerkt. De
100meter, verspringen, kogelstoten, hoogspringen en de 400 meter op de eerste
dag. En op de tweede dag de 110m horden, discuswerpen, polstokhoogspringen,
speerwerpen en de 1500 meter (dit is ook altijd de vaste volgorde). De dames
hebben een zevenkamp.
Concentratie
In de atletiek is concentratie van groot belang. Dat wil zeggen: de atleet
moet al zijn aandacht op het onderdeel richten waar hij mee bezig is. Hij mag
zich door niets laten afleiden. Dat zie je vooral bij de springnummers. Daarom
meten de springers tevoren nauwkeurig het aantal passen uit dat ze nodig hebben.
Vóór hun aanloop begint staan ze soms minuten lang doodstil, met gebogen
hoofd. Soms houden ze zelfs hun ogen gesloten. De hele wereld is voor hen
buitengesloten, ze zijn uitsluitend met het onderdeel bezig.
Algemeen
In Nederland wordt vrij veel aan atletiek gedaan. Maar internationaal tellen
wij niet zo erg mee. De grootste atletieklanden zijn de Verenigde Staten,
Rusland, Duitsland en Frankrijk. Maar af en toe heeft ons land een uitschieter.
In 1948 won Fanny Blankers Koen op de Olympische Spelen vier gouden medailles.
Gerard Nijboer werd ooit in Athene Europees kampioen op de marathon. Ellen van
Langen won in Barcelona tijdens de Olympische spelen goud op de 800 meter en Ria
Stalman won goud bij het discuswerpen in Los Angeles.
Atletiek in Boxtel
Atletiekvereniging Marvel is op 18 april 1964 opgericht. In de begin jaren
was er een atletiekbaan op sportpark Esche Heike, daar waar nu de manege zit. In
1980 verhuisde de vereniging naar sportpark Munsel. Op dat sportpark was een
atletiekbaan op gras. In december 2001 heeft Marvel haar intrek genomen op de
kunststofaccommodatie op sportpark Den Wielakker. Daar zijn vrijwel alle
atletiekonderdelen waaronder ook de onderdelen polsstokhoogspringen en
hordenlopen mogelijk. AV Marvel telt in 2002 zo’n 230 leden. Af en toe worden
er door atleten van Marvel goede prestaties behaald. Zo werd René van der Donk
in 2002 Nederlands kampioen bij de junioren B op het onderdeel kogelstoten.
Leeftijdindeling
Atleten worden in leeftijdgroepen ingedeeld. Afhankelijk van je leeftijd hoor
je in een bepaalde categorie.
| Categorie
|
|
Categorieleeftijd
|
|
|
|
|
| Minipupil |
|
7 jaar |
| Pupillen
C |
|
8 jaar |
|
Pupillen B
|
|
9 jaar |
| Pupillen
A |
|
10
of 11 jaar |
| Junioren
D |
|
12
of 13 jaar |
| Junioren
C |
|
14
of 15 jaar |
| Junioren
B |
|
16
of 17 jaar |
| Junioren
A
|
|
18
of 19 jaar
|
| Senioren |
|
20
jaar en ouder |
|
|
|
|
| Veteranen
V35, 40, ... |
|
Vrouwen
vanaf 35 jaar, 40 jaar enzovoorts |
| Veteranen
M40, M45, ... |
|
Mannen
vanaf 40 jaar, 45 jaar enzovoorts |
Schoenen
Goede schoenen zijn voor elke sport belangrijk. In de atletiek ken je vooral
de loopschoenen. Dat zijn lichte soepele schoenen die een goed profiel hebben.
De vering van de schoenen is belangrijk. Voor de springnummers en op de sprint
worden vaak zogenaamde spikes gebruikt. Dat zijn lichte schoenen met kleine
puntjes (lijkt op spijkertjes) in de zool. Hiermee heeft de atleet veel grip en
kan hij goed afzetten.
Zomer en wintersport
Atletiek is een sport die het hele jaar door beoefend wordt. In het
zomerseizoen dat loopt van 1 april tot 1 november worden de wedstrijden op de
atletiekbanen georganiseerd. Er zijn in dit seizoen loopwedstrijden op de weg
zoals marathons. In het winterseizoen van 1 november tot 1 april worden er
indoorwedstrijden gehouden. Dat zijn atletiekwedstrijden in een zaal. Het zal
duidelijk zijn dat in de zaal niet alle onderdelen kan worden beoefend. In de
winter zijn er ook veldloopwedstrijden en crossen. Dat zijn loopwedstrijden door
het bos en over velden.
Meer informatie
Op internet kun je veel informatie vinden. Zo kan je gaan naar de site van de
Nederlandse atletiekunie: www.knau.nl
of naar de site van AV Marvel uit Boxtel: www.avmarvel.nl
Vanuit deze site kun je via de zogenaamde links ook naar de sites van
vele andere verenigingen.
Veel atletiek-links vind je ook op atletiek.pagina.nl
Materialen
Bij het houden van een spreekbeurt is het natuurlijk leuk als je een aantal
materialen kan laten zien. Als je lid bent van Marvel mag je voor je spreekbeurt
wel materialen lenen voor een paar dagen zoals een kogel, een startblok, een
discus etc. Wil je dit vraag dat dan tijdig aan je eigen trainer.